Waarom haken Nederlandse clubs af in Belgisch-Nederlandse competities?
In dit artikel:
Belgisch-Nederlandse sportcompetities blijven volgens sportmarketeer Bob van Oosterhout kansrijk, maar de recente uittredes van clubs laten zien hoe kwetsbaar ze zijn. IJshockeyclub Hijs Hokij stapte vorige maand uit de CEHL en keert terug naar de eredivisie, omdat de competitie sportief minder aantrekkelijk werd, het aantal wedstrijden daalde en daarmee ook de inkomsten. Voorzitter Harry Vlaardingerbroek zegt dat de CEHL in tien jaar tijd van een echte grensoverschrijdende competitie veranderde in een kleiner, minder sterk deelnemersveld. Pogingen om Franse en Duitse clubs aan te trekken mislukten, waarna Hijs koos voor een toekomst in de nationale competitie.
Ook in het basketbal verliest de BNXT League Nederlandse clubs. LWD Basket, Den Helder Suns en PrismaWorx BAL vroegen geen licentie aan voor komend seizoen en zakken af naar de promotiedivisie. Volgens Van Oosterhout is dat deels logisch: de competitie moest het niveau verhogen, maar bij zo’n stap vallen zwakkere en financieel kwetsbare clubs af. Belgische clubs kunnen de professionaliseringsslag volgens hem makkelijker dragen doordat ze gemiddeld meer budget hebben. Nederlandse clubs kampen juist vaker met financiële tegenvallers, zoals wegvallende afspraken met woningcorporaties.
Zowel Van Oosterhout als Vlaardingerbroek benadrukken dat het publiek vooral spannende, gelijkwaardige wedstrijden wil en dat sponsors en media meer interesse hebben in duels tussen clubs uit hetzelfde land. Tegelijk maakt de afnemende financiële ruimte in de sport het moeilijk om zulke internationale competities duurzaam overeind te houden.
De Oranjezomer: Wat is het gekste waar Victor Vlam ooit aan heeft gelikt? ‘Hoe heet ‘ie ook alweer?!’