De kleine spaarder is nog niet klaar met box 3: dit staat achter de Haagse beloftes

dinsdag, 6 oktober 2026 (07:23) - Dagelijkse Standaard

In dit artikel:

Minister van Financiën Eelco Heinen heeft tijdens het Kamerdebat van 1 oktober afstand genomen van de voorgestelde vrijstelling van €1.000 aan box-3-opbrengst. Het kabinet beloofde daarop kleinere spaarders en beleggers via een andere dekking te ontzien. Die toezegging is echter nog geen definitieve belastingregel. Premier Jetten meldde op 2 oktober dat de ministerraad een novelle had vastgesteld en spoedadvies had gevraagd, maar de aangepaste bedragen en de financiële dekking moeten nog door de parlementaire behandeling.

In de openbare ontwerpstukken staan voorlopig nog een heffingsvrij vermogen van €30.846 voor 2027 en een heffingsvrij resultaat van €1.000 vanaf 2028. Die bedragen zijn niet definitief en bewijzen evenmin dat Heinen zijn politieke belofte niet nakomt. Ze laten vooral zien dat de teruggedraaide plannen nog niet zijn vertaald in een concreet en sluitend voorstel. Ook is nog onduidelijk wie de kosten van een hogere vrijstelling uiteindelijk draagt. Een eenmalige meevaller, uitgestelde belasting of lastenverzwaring voor een andere groep is geen structurele dekking.

De discussie moet worden verdeeld over drie belastingjaren. Voor 2026 gelden de bestaande regels. De individuele vermogensvrijstelling bedraagt volgens de huidige berekening €59.357 en voor fiscale partners €118.714. De Belastingdienst rekent voorlopig met 1,28 procent rendement op banktegoeden en 6 procent op beleggingen en andere bezittingen. Het box-3-inkomen wordt vervolgens tegen 36 procent belast. Dat betekent niet dat 36 procent over het volledige vermogen wordt geheven, en ook het forfaitaire rendement van 6 procent is geen belastingtarief.

De voorlopige aanslag over 2026 is gebaseerd op de vermogensverdeling op 1 januari en gebruikt een voorlopig percentage voor spaargeld. Het werkelijke rendement over het hele jaar is dan nog niet bekend. Belastingplichtigen kunnen binnen het huidige stelsel bovendien hun werkelijke rendement doorgeven als dat lager uitvalt dan het forfaitaire rendement. Daarbij tellen onder meer rente, dividend en waardeveranderingen mee. Er wordt in die methode echter geen heffingsvrij vermogen afgetrokken. Een negatief totaalrendement wordt op nul gesteld en kan niet naar een ander jaar worden doorgeschoven.

Voor 2027 gaat het om een tijdelijke overbrugging. De voorgestelde vrijstelling van €30.846 maakt deel uit van het omstreden dekkingsplan en is door de kabinetsbelofte onzeker geworden. Het is niet vanzelfsprekend dat het bedrag uit 2026 wordt overgenomen, of dat iedere kleine spaarder dezelfde bescherming krijgt. Daarvoor is een nieuw wetsvoorstel nodig waarin duidelijk staat welke vrijstelling voor alleenstaanden en fiscale partners geldt en hoe de regeling wordt betaald.

Vanaf 2028 is een nieuw box-3-stelsel voorzien. Dan gaat het niet alleen om de hoogte van een vrijstelling, maar vooral om de vraag welk rendement wordt belast en op welk moment. Bij een vermogensaanwasstelsel kan een waardestijging worden belast voordat een belegging is verkocht. Bij een vermogenswinststelsel gebeurt dat in beginsel bij realisatie. Rente en dividend kunnen daarnaast afzonderlijk belast blijven. Het verschil is belangrijk, omdat een hogere waarde op een beleggingsrekening nog geen geld is waarmee een aanslag kan worden betaald.

De ontwerpplannen voorzien vanaf 2028 voor financiële instrumenten in een vermogenswinstbenadering. Rechtstreekse cryptobeleggingen zouden voorlopig onder de vermogensaanwas vallen, met een overgang die rond 2030 wordt verwacht. Roerende zaken die als belegging worden aangehouden vallen in een restcategorie. Daardoor kunnen spaarders, beleggers, cryptobezitters en eigenaren van fysiek goud verschillend worden behandeld. Of goud als fysiek beleggingsgoud of als financieel product geldt, is juridisch van belang. Het kabinet verwijst voor de gefaseerde invoering naar uitvoeringsproblemen, maar moet nog uitleggen waarom de ongelijke timing noodzakelijk en tijdelijk is.

De gevolgen verschillen per situatie. Een alleenstaande met €40.000 spaargeld blijft in 2026 onder de huidige vermogensvrijstelling. Bij 2 procent rente is het jaarlijkse rendement €800 en bij 4 procent €1.600; een opbrengstvrijstelling van €1.000 zou daardoor anders uitpakken afhankelijk van de rente. Dat voorbeeld voorspelt geen toekomstige aanslag, omdat de voorgestelde grens juist is ingetrokken. Fiscale partners met samen €80.000 spaargeld kunnen eveneens onder de gezamenlijke vrijstelling vallen, maar zouden door een toekomstige verlaging worden geraakt zonder dat hun vermogen is toegenomen.

Een belegger met €40.000 aan aandelen die in waarde €4.000 stijgen, ontvangt dat bedrag niet zolang hij niet verkoopt. Of en wanneer die stijging wordt belast, hangt af van het gekozen stelsel. Daarom kan een belastingtarief niet simpelweg op de waardestijging worden toegepast. De voorbeelden maken duidelijk dat een algemene belofte om “kleine spaarders” te beschermen onvoldoende zekerheid biedt aan huishoudens met verschillende soorten vermogen.

De Kamer moet daarom niet alleen controleren of de begroting sluit, maar ook of de lasten eerlijk worden verdeeld en de regels uitvoerbaar zijn. De nieuwe voorstellen moeten concrete bedragen, een structurele dekking, duidelijke behandeling van verschillende vermogenscategorieën en regels voor verliezen en waardedalingen bevatten. Zolang die informatie ontbreekt, zijn politieke verklaringen geen betrouwbare basis voor persoonlijke belastingplanning. Burgers doen er verstandig aan grote financiële beslissingen niet uitsluitend op de aangekondigde wijzigingen te baseren en hun volledige situatie te laten doorrekenen. De VVD en het kabinet kunnen pas van een overwinning voor spaarders spreken wanneer de nieuwe grenzen, de rekening en de uitvoerbaarheid daadwerkelijk zijn vastgelegd.

BEKIJK OOK:

Vandaag Inside: Rob Jetten over belastingplan: 'Kiezen echt voor vooruitgang voor mensen en bedrijven'